NYT-uitgever beschuldigt AI-giganten van diefstal
NYT-uitgever Sulzberger beschuldigt AI-bedrijven van brutale diefstal van journalistiek. Wat die strijd betekent voor wie zelf waardevolle content maakt.

A.G. Sulzberger, uitgever van The New York Times, beschuldigde AI-bedrijven op het WAN-IFRA World News Media Congress in Marseille van een brutale diefstal van intellectueel eigendom op ongekende schaal. Hij verweet de nieuwssector te stil, te passief en te versnipperd te zijn, en wees op zijn eigen rechtszaak tegen OpenAI en Microsoft, die inmiddels tweeënhalf jaar loopt en ruim 20 miljoen dollar heeft gekost. De verontwaardiging is begrijpelijk. Maar de bruikbare vraag voor iedereen die zelf waardevolle content maakt is praktischer: weet je welke content je openbaar zet, en heb je een bewuste keuze gemaakt over hoe AI-bedrijven die mogen gebruiken?
Wat Sulzberger precies zei
Tijdens zijn openingskeynote op zondag 1 juni noemde Sulzberger het ongeautoriseerde gebruik van journalistieke content een schending van gevestigd recht. AI-bedrijven betalen voor talent, rekenkracht en energie, stelde hij, maar nemen content zonder toestemming of vergoeding. Zelfs afgeschermd materiaal is niet veilig: volgens een door hem aangehaald onderzoek schendt ongeveer 30 procent van de AI-bots expliciete toegangsbeperkingen, inclusief content achter een betaalmuur.
Hij waarschuwde dat de huidige koers leidt tot steeds minder journalisten die het dure, moeizame werk van originele verslaggeving kunnen doen. "Onze beroepsgroep is te stil, te passief en te versnipperd gebleven tegenover de misstanden van de bedrijven die de AI-revolutie leiden," zei hij. Zijn oproep aan uitgevers had vier punten: kom op voor je rechten, onderhandel zorgvuldig, zet wetgevers onder druk voor sterkere bescherming, en bundel de krachten. De rechtszaak tegen OpenAI en Microsoft kostte inmiddels ruim 20 miljoen dollar, geld dat de meeste nieuwsorganisaties niet hebben.
Waarom dit meer is dan een mediaruzie
Het verhaal lijkt te gaan over grote uitgevers tegen grote techbedrijven. Maar dezelfde vraag ligt op tafel bij elke organisatie die zelf content van waarde produceert: brancheorganisaties met vakpublicaties, kennisintensieve dienstverleners met onderzoek en whitepapers, redacties van ledenmagazines. Hun teksten, data en analyses staan vaak vrij toegankelijk online, en worden net zo goed binnengehaald om modellen te trainen.
De meeste organisaties hebben nooit een bewuste keuze gemaakt over wat daarmee mag gebeuren. Dat is vooral een regievraag. Wie zijn content als bezit ziet, bepaalt zelf de voorwaarden waaronder die wordt gebruikt. Diezelfde dynamiek speelt op de achtergrond mee in de strijd om webdata, waar Google volgens Cloudflare drie keer meer van het web ziet dan OpenAI. Toegang tot content is de inzet, en wie niets vastlegt, geeft die toegang stilzwijgend weg.
Wekelijkse inzichten in je mail.
Dilemma's, doorbraken en blinde vlekken uit onze AI-praktijk.
Wat je hier morgen mee kunt
Begin met een inventarisatie: welke content zet je openbaar, en hoe waardevol is die voor jouw positie? Bepaal vervolgens je houding. Wil je dat AI-bedrijven je teksten gebruiken voor training, dan kun je dat toestaan. Wil je dat niet, dan leg je dat vast via robots.txt, opt-out-signalen en, waar het om serieuze volumes gaat, licentieafspraken. De keuze hoort thuis in je governance, niet bij toeval.
Sulzberger is uiteindelijk ergens anders bang voor dan voor de juridische uitkomst: dat het dure, originele werk verdwijnt. Voor wie zelf publiceert betekent dat investeren in content die een AI-model niet kan samenvatten of namaken, zoals eigen onderzoek, analyse en bronnen. We schreven eerder over hoe redacties routinewerk aan AI overlaten om ruimte te maken voor precies dat type content. Die ruimte ontstaat alleen als je er bewust op stuurt.
Heb je voor jouw organisatie nog geen keuze gemaakt over hoe je content tegen ongevraagd AI-gebruik beschermt? Dat is een directievraag, geen IT-klusje. Plan een kennismaking in, dan denken we mee over een aanpak die bij je past.


